Woordenschat spelletjes

Uit KBS Laurentius wiki
Versie door Dongen (overleg | bijdragen) op 18 jun 2019 om 05:13 (Nieuwe pagina aangemaakt met ''''Memory''' (2-4 spelers)<BR> Voor dit spel zijn twee sets kaartjes nodig: op de ene set wordt het woord geschreven, op de tweede set de betekenis. Het voorbereide...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Memory (2-4 spelers)
Voor dit spel zijn twee sets kaartjes nodig: op de ene set wordt het woord geschreven, op de tweede set de betekenis. Het voorbereidende werk aan het spelmateriaal werkt op zich de consolidatie in de hand. Als de kaartjes klaar zijn, worden ze omgedraaid en flink door elkaar geschoven. Wie kan de meeste paren verzamelen? Om tijdens het spel onduidelijkheid te voorkomen over welke kaartjes samen een paar vormen, kakn een kleurcode (of nummer) toegevoegd worden, waardoor een extra mogelijkheid ontstaat de bij elkaar horende kaartjes als paar te identificeren.

Drie op een rij (2-4 spelers)
Ter voorbereiding wordt een rooster gemaakt van 16 vakken (vier bij vier) In elk vak wordt één van de te leren woorden geschreven. Elke speler heeft een handvol pionnen van dezelfde kleur. Om de beurt kiest een speler een woord en geeft daarvan de betekenisomschrijving (of gebruikt het woord in een zin). Wordt dit goed gedaan, dan mag de speler zijn pion plaatsen in het vak van het gekozen woord. Wie heeft na afloop de meeste pionnen op het speelveld staan? Voor drie pionnen op een rij wordt een extra punt toegekend.

Woordenshow (3-6 spelers)
De spelleider heeft de set van aan te leren woordjes op losse kaartjes voor zich. Hij steekt een kaartje in de lucht en leest het woord voor dat erop staat. De speler die het eerst een goede omschrijving van het woord geeft (of het woord correct in een zin weet te gebruiken) mag het kaartje hebben. Wie weet de meeste kaartjes te verzamelen?

Bingo (3 of meer spelers)
Elke leerling kiest bijvoorbeeld vijf woorden uit de verzameling woordkaartjes en schrijft deze op een kladblaadje. De spelleider leest de omschrijving van een woord voor. De spelers bij wie deze woorden op hun blaadje staan, mogen het doorstrepen. Wie het eerst alle vijf de woorden doorgestreept heeft, roept 'BINGO'. De spelleider controleert natuurlijk of het geen valse bingo is.

Hints (3 of meer spelers)
Dit spel kent enkele varianten. In één daarvan neemt de spelleider een woord in het hoofd en de spelers proberen daar door vragen achter te komen. (een woord van de set woordkaartjes)in zijn hoofd. Om dit spel ook voor de spelleider moeilijk te maken, kan afgesproken worden dat deze geen ja en nee mag zeggen. In een andere variant geeft de spelleider de spelers aanwijzingen over het woord dat hij gekozen heeft. Wie het eerst het woord geraden heeft, krijgt een punt. Bij drie punten wordt er van rol gewisseld.

Kruiswoordpuzzel (2 of meer spelers)
De spelers maken voor elkaar een kruiswoordpuzzel. Voor de omschrijvingen wordt de achterkant van de woordkaartjes gebruikt. Op de kruiswoordpuzzel zelf moeten de woorden worden ingevuld.

Samen zinnen maken (2 of meer spelers)
De spelers schudden de kaartjes met de woorden en leggen ze omgekeerd op een stapel. om de beurt draaien ze een kaartje om en schrijven ze een zin met het woord dat op het kaartje staat. Kan de speler dat niet, dan krijgt deze een strafpunt en mag de medespeler het proberen.

Het hangt aan de muur en tikt
Laat alle leerlingen een omschrijving van een woord (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of werkwoord) maken. Om de beurt mogen leerlingen hun omschrijving geven, degene die het raadt krijgt de volgende beurt, maar mag daarna niet meer mee raden.

Waar is het van gemaakt Waar kom je het tegen?
Wat kun je ermee doen? Laat de woorden die je wilt herhalen omschrijven, de ander of de groep moet het woord raden. Je kan in plaats van woorden omschrijven ook woorden uitbeelden.

Detective spel
Drie leerlingen gaan de klas uit, groep kiest een woord. De leerlingen worden weer opgehaald en door vragen aan de groep te stellen proberen ze achter het gekozen woord te komen. Wie raadt het woord als eerst?

Rijmelarij
Verzin rijmwoorden bij woorden die je wilt herhalen. Of verzin een gedichtje of kort verhaaltje met de nieuwe woorden.

Pictionary
Kies een woordkaartje. Verdeel de klas in groepjes. Het eerste groepje levert een tekenaar. Deze tekenaar probeert de betekenis van een woord op het bord te tekenen. Zijn eigen groepje mag tijdens het tekenen het woord proberen te raden. Als de tijd (bijvoorbeeld twee minuten) voorbij is en de groep heeft het nog niet geraden, dan mogen de andere groepen zo snel mogelijk hun vinger opsteken en raden. De groep die het dan raadt krijgt de punten.

Ik ga op reis en ik neem mee (2 of meer spelers)
De spelers zitten in een kring. De eerste speler begint met de zin: 'Ik ging naar de groenteman en ik kocht...'. De volgende speler herhaalt de zin met het woord van de vorige speler en voegt er een artikel aan toe. Zo ga je de hele kring af. Natuurlijk kun je allerlei begin zinnen bedenken, passend bij het woordveld waar je mee bezig bent. Bijvoorbeeld:
Ik ging naar de (bakker, groenteman, Albert Heijn enz.) en ik kocht...
Op maandag hebben we eerst schrijven, dan rekenen enz.
Ik ga volgend jaar op (muziek-, sport-)les en ik ga kiezen uit...
Op deze manier kun je allerlei woordvelden tot een geheugenspelletje ombouwen.

Alfabetspel per thema of categorie
Categorieën oefenen. Naast thema of categorie kan je ook proberen een alfabetisch woordveld te maken, hierbij is de vindingrijkheid en uitleg van de leerling belangrijk. Denk hierbij aan de verschillende woordsoorten.

Spel voor het werken met categoriewoorden
Maak een blad met verticale kolommen. Zet in elke kolom een categorie bijvoorbeeld: jongensnaam, groente, dier, plant, voedsel, beroep, schoolvak, drank enz. Prik nu een willekeurige letter uit een krant of boek en ga nu met elk het eigen vel voor je in 5 minuten in elke kolom 1 woord invullen. Als de tijd voorbij is stoppen. Nu wordt voor elk woord dat een ander niet heeft 5 punten gegeven, voor elk woord dat 2 mensen hebben drie punten, voor elk zelfde woord dat 4 mensen hebben 2 punten, als iedereen het woord heeft krijg je geen punten. Bespreek alle woorden, hier leer je erg veel van.

Bedenk zoveel mogelijk woorden (uit één thema) met dezelfde beginletter.
Of bedenk zoveel mogelijk woorden met bijvoorbeeld voorvoegsel ge-. Of woorden die eindigen op -tie, enz.

Voor het spelelement is het leuk om de klas in groepjes te verdelen. Wie de meeste woorden heeft, wint.

Doe wat ik zeg
Voorzetsels oefenen. De spelleider geeft snel achter elkaar opdrachten om de handen ergens neer te leggen: onder tafel, naast de bank, op je voeten, in je la enz. Als hij zegt: 'handen onder tafel' en de opdracht wordt uitgevoerd, is het goed. Maar als hij alleen zegt: 'onder tafel' en de opdracht wordt uitgevoerd, is degene die dat doet af. Net zolang doorgaan tot iedereen af is.

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet...
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden leren gebruiken. Een deelnemer aan het spel kiest een zelfstandig naamwoord, van dat zelfstandig naamwoord wordt telkens een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord genoemd: Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is van glas (hout, rubber enz). Als het woord geraden is, herhaalt de leerkracht: 'ja goed, het is een glazen deur'.

In opdracht tekenen
Voorzetsels oefenen. De leerlingen maken een tekening. De leerkracht (of leerling) vertelt wat er allemaal getekend wordt en waar. Je kan als basis al met een tekening van een boom, huis of school beginnen.

Hoe doe je het?
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden leren gebruiken. Een leerling gaat de klas uit en bedenkt een bepaalde handeling die hij in de klas zal gaan uitvoeren. De klas bedenkt intussen hoe hij deze handeling, die ze nog niet kennen, moet gaan uitvoeren (vlug, langzaam, slordig, netjes, driftig, zenuwachtig, slaperig, balend, vrolijk enz). De leerling van de gang voert zijn handeling op verschillende manieren uit en de klas reageert: 'nee, het is niet vlug' of 'Nee, je bent niet vrolijk'.

Woordkaartjes sorteren
Woordsoorten oefenen, (spelling) categorieën oefenen. Je kunt kinderen de woordkaartjes laten sorteren op woordsoorten of (spelling)categorieën. Het spelelement kun je er in brengen, door het in een bepaalde tijd te laten doen.

Beginletterrijm
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden leren gebruiken. Iemand in de kring begint met het noemen van zijn eigen naam, maar hij moet er een eigenschap voor zetten die met dezelfde letter begint als zijn naam. Bijvoorbeeld: ik ben mooie Mirjam. De volgende leerling in de kring herhaalt die naam + eigenschap en noemt dan zijn eigen naam met eigenschap: Dit is mooie Mirjam, en ik ben nette Nel. De volgende leerling herhaalt alleen de naam van 'zijn' buurman.

Advertentiespel
Maak kaartjes met daarop:
- allemaal onderwerpen van zinnen: de bakker, ik, hij, ze, zij, het, de mensen, de juffrouw enz. - dan kaartjes met werkwoorden: lopen, spaalt, gaapt, werk, gingen, kusten, deden, waren, was, liep, viel enz. - Dan ook nog bepalingen erbij: hard, in de schuur, op het land, door de klas, in de krant, ver weg, ontzettend lang, heel zacht enz. Ga nu met deze kaartjes nieuwe grappige zinnen maken. Ze moeten wel kloppen.

Woordenketting
Begin met een startwoord (nieuw woord) en maakt deze langer, bijvoorbeeld kerk-, kerktoren, torenklok, klokkenspel, speldenkussen, kussensloop enz. Wedstrijdelement: Verdeel de klas in groepen, de langste woordenketting wint. Om de beurt mogen leerlingen hun omschrijvingen geven, degene die het raadt krijgt de volgende beurt, maar mag daarna niet meer mee raden.

Woordslang
Bepaal een onderwerp, bijvoorbeeld 'dierentuin'. Ga nu woorden verzinnen waarvan de beginletter hetzelfde is als de eindletter van het vorige woord: beer-ree-eland-dromedaris-slang-giraf-fazant-enz. Hoe lang wordt de woordslang zonder twee keer hetzelfde woord te gebruiken? Je kunt allerlei categorieën nemen: de keuken, het huis, de school, bij oma, in het bos enz.