Epilepsie

Uit KBS Laurentius wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wat is het?
Een epilepsieaanval wordt veroorzaakt door een plotselinge abnormale, voorbijgaande chaotische overactiviteit van kleinere of grotere groepen hersencellen.
Dit leidt tot bewustzijnsverlaging en soms tot bewusteloosheid. Meestal is de aanval van korte duur en keert de normale situatie na verloop van enige tijd weer terug. Epilepsie is eigenlijk geen ziekte, maar een ziekteverschijnsel zoals koorts. Epilepsieaanvallen zijn in twee groepen te onderscheiden.


Groep 1

  • Allereerst noemen we de grote aanval of grand mal waarbij alle spieren en functies van het lichaam betrokken zijn. Een kind dat zo'n aanval heeft, verliest het bewustzijn, valt op de grond en krijgt spiertrekkingen. Het kind kan urine verliezen, de tong stuk bijten, speeksel verliezen of een gestoorde ademhaling krijgen die een blauwe kleur kan veroorzaken. Als deze aanval over is, meestal na een paar minuten, komt het kind weer bij. Het is dan wel moe maar kan na een korte rust weer doorgaan met wat het aan het doen was. Soms valt het kind in een diepe slaap.
  • De absence of afwezigheid (petit mal) is minder opvallend en bestaat uit een kortdurende bewustzijnsdaling die zelden langer dan 15 seconden duurt. Het kind stopt bijvoorbeeld met lezen of praten, staart even voor zich uit en gaat dan weer verder met lezen of praten, zonder zelf te weten dat hij gestopt is. Deze vorm komt bij kinderen het meeste voor. Bij deze groep van (gegeneraliseerde) aanvallen is praktisch de gehele hersenmassa betrokken.


Groep 2
Deze groep bestaat uit partiele aanvallen, zo genoemd omdat er slechts overactiviteit in een bepaald deel (part) van de hersenen plaatsvindt.

  • De partieel complexe of psychomotorische aanval is hiervan de meest voorkomende vorm: het kind schijnt in een soort droomtoestand te zijn, het kan wat aan zijn kleren plukken, kan gaan rondlopen of een zin herhalen. Het kind weet naderhand zelf niet wat er gebeurd is.
  • Bij andere partiële aanvallen kunnen ritmische schokken in een bepaald lichaamsdeel optreden. Zit de overactiviteit in het hersengebied van het horen of zien, dan hoort het kind geluiden of ziet het dingen die er niet zijn.

Wat kun je als leerkracht doen?
Zorg dat een ki!id zich tijdens de aarwal niet kan bezeren. De gegeven aanwijzingen hebben betrekking op de handelingen bij een grand mal:

  • bedenk: het kind voelt geen pijn wanneer het bewusteloos is;
  • het kind is niet in levensgevaar indien de aanval enkele minuten duurt, ook al stopt de ademhaling even en wordt het kind blauw of bleek;
  • verwijder voorwerpen waar het kind zich aan kan stoten;
  • maak strakke kleding los; dit speciaal rond de hals;
  • wanneer het kind overgeeft, leg het dan in de stabiele zijligging;
  • probeer het kind niet bij bewustzijn te brengen;
  • doe geen pogingen het kind medicijnen of water te laten innemen;
  • stop bij het kind niets in de mond om tongbeet te voorkomen;
  • pak het kind niet met geweld vast;
  • overleg met een arts wanneer de aanval langer duurt dan 10 minuten of wanneer de aanvallen

zich herhalen.


Wat moet je na afloop van een epilepsieaanval doen?

  • Stel het kind gerust.
  • Controleer of het kind in zijn broek heeft gedaan en verschoon het zo mogelijk.
  • Laat het kind slapen wanneer het na afloop van de aanval in een diepe slaap valt.
  • Laat het kind, als het weer fit is, iets doen dat het graag doet.
  • Geef het kind geen straf voor wat het tijdens de aanval gedaan heeft.
  • Blijf niet voortdurend vragen of het kind zich weer goed voelt.
  • Informeer dezelfde schooldag de opvoeders.
  • Laat een kind pas drinken als het de beker zelf kan vasthouden.

Naar GGD