Referentieniveaus Taal en Rekenen

Uit KBS Laurentius wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De referentieniveaus beschrijven welke kennis en vaardigheden leerlingen ten minste dienen te beheersen om met succes door te stromen naar het vervolgonderwijs. De referentieniveaus zijn bedoeld voor het eind van het (speciaal) basisonderwijs. Om leerlingen te begeleiden en te ondersteunen richting deze eindniveaus, worden de referentieniveaus uitgewerkt in tussendoelen en leerlijnen.

De niveaus 1F en 1S zijn toegewezen aan het primair en speciaal onderwijs. 1F staat voor Fundamenteelniveau en 1S staat voor Streefniveau.

Actuele informatie over de Referentieniveaus Taal en Rekenen staat op de volgende website: Doorlopende leerlijnen Taal en Rekenen

Referentieniveaus Taal[bewerken]

1F, de globale beschrijving voor taal
De leerling:

  • kan eenvoudige gesprekken voeren, informatie en meningen en opvattingen interpreteren voor zover deze dicht bij de leerling staan;
  • kan eenvoudige teksten over herkenbare onderwerpen zodanig vloeiend lezen dat woordherkenning en tekstbegrip de leerling niet in de weg staan;
  • kan jeugdliteratuur, waarvan de structuur eenvoudig is, belevend lezen;
  • kan korte, eenvoudige teksten schrijven over alledaagse onderwerpen in de vorm van een briefje, kaart of e-mail. Kan de meest voorkomende leestekens gebruiken;
  • kent woordsoorten en beheerst werkwoordspelling en regels voor spelling.

2F (= 1S), de globale beschrijving voor taal
De leerling:

  • beschikt over voldoende woorden om zich te kunnen uiten, kan redelijk en vloeiend een probleem verhelderen en kan informatie vragen, verzamelen, verwerken en geven;
  • kan instructieve teksten en betogende teksten lezen en eenvoudige adolescentenliteratuur;
  • kan de hoofdgedachte van een tekst weergeven en legt relaties tussen tekstdelen en kan die evalueren en beoordelen;
  • kan samenhangende teksten schrijven met een eenvoudige, lineaire opbouw, over uiteenlopende en vertrouwde onderwerpen. De tekst bevat een volgorde met inleiding, kern en slot;
  • beheerst nog niet alle spellingsproblemen, heeft kennis van de lijdende, bedrijvende en vragende vorm, en beheerst moeilijke gevallen van de persoonsvorm.


Referentieniveaus rekenen[bewerken]

1F - Vaardigheden referentieniveau 1F rekenen
De leerling:

  • weet eenvoudige getallen, bewerkingen en symbolen correct te noteren en te gebruiken.
  • kan getallen lezen en uitleggen hoe getallen uit cijfers opgebouwd zijn;
  • kan hoofdrekenen met en zonder notatie van tussenresultaten;
  • kan hoofdbewerkingen (+, -, x, :) met gehele en eenvoudige decimale getallen op papier uitvoeren, evenals bewerkingen met eenvoudige breuken;
  • kan berekeningen uitvoeren om problemen op te lossen en de rekenmachine op verstandige wijze inzetten;
  • kan in de context van verhoudingen eenvoudige berekeningen uitvoeren, ook met procenten en verhoudingen;
  • kan veel voorkomende en eenvoudige meetinstrumenten gebruiken en aflezen, met maateenheden rekenen en in eenvoudige gevallen maateenheden in elkaar omzetten;
  • heeft een gevoel ontwikkeld voor standaardmaten in veel voorkomende situaties;
  • kent namen van enkele meetkundige figuren en begrippen en kan deze gebruiken om situaties in de ruimte te beschrijven;
  • kan eenvoudige tabellen, diagrammen en grafieken gebruiken bij het oplossen van problemen, ook om eenvoudige berekeningen uit te voeren.

1S - Vaardigheden referentieniveau 1S rekenen
Getallen
De leerling:

  • heeft de eigenschappen van getallen en bewerkingen (efficiënt rekenen) paraat en maakt hiervan gebruik bij het rekenen met grotere getallen, decimale getallen, moeilijkere breuken en gemengde getallen;
  • kan standaardprocedures met inzicht gebruiken binnen situaties waarin gehele getallen, breuken en decimale getallen voorkomen;
  • weet waarom er procedures zijn die altijd werken en weet waarom dat zo is.

Verhoudingen
De leerling:

  • kan rekenen met percentages, ook met moeilijke getallen en kan breuken, verhoudingen en percentages in elkaar omzetten;
  • weet dat een percentage relatief van karakter is;
  • kent de decimale structuur van het metriek stelsel. Kan rekenen met vergrotingsfactoren en schaal.

Meten en Meetkunde
De leerling:

  • kan gegevens van meetinstrumenten interpreteren en alledaagse aanduidingen in gebruik herkennen;
  • heeft de standaardoppervlaktematen en inhoudsmaten paraat;
  • kan redeneren welke maat in welke context past;
  • kan redeneren met symmetrische figuren en meetkundige patronen voortzetten;
  • weet formules te gebruiken en te verklaren bij het berekenen van oppervlakte en inhoud van eenvoudige figuren;
  • kan redeneren en uitleg geven bij de samenhang tussen omtrek, oppervlakte en inhoud van figuren en objecten.

Verbanden
De leerling:

  • kan berekeningen uitvoeren op basis van informatie uit tabellen, grafieken en diagrammen en is in
  • staat hieruit conclusies te trekken over een (toekomstige) situatie;
  • kan punten in een assenstelsel plaatsen en coördinatoren aflezen;
  • kan conclusies trekken op basis van een voorstelling van een verband en kan in globale zin grafieken schetsen;
  • kan patronen in eenvoudige rijen getallen ontdekken.



naar Interne zorgstructuur