Slechthorendheid

Uit KBS Laurentius wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wat is het?
Steeds weer blijkt dat slechthorendheid een handicap is die bij kinderen veel moeilijkheden veroorzaakt.
Het "anders-zijn" geeft de gehele ontwikkeling en daarmee de persoonlijkheid een bepaald stempel. Het slechthorend kind neigt er snel toe zich af te sluiten of juist door opvallend gedrag extra aandacht op zich te vestigen.
In de meeste gevallen wordt dit veroorzaakt omdat de omgeving niet op de juiste wijze reageert op het gedrag van het kind. Het kind krijgt het gevoel er niet bij te horen en dat is het ergste wat hem kan overkomen.
Er zijn verschillende soorten en graden van gehoorverlies. Het varieert van totale dootheid tot gehoorverlies bij verkoudheid of een oorsmeerprop. Men spreekt van een geleidingsverlies bij een afwijking in het middenoor. De geluiden klinken zachter. Een bekend voorbeeld hiervan is het lijmoor, veroorzaakt door vocht achter het trommelvlies waarbij er een onderdruk in het middenoor ontstaat. Dit komt vooral voor bij jonge kinderen met verkoudheden. Bij een aantal kinderen is het nodig om tijdelijk trommelvliesbuisjes te plaatsen. Men spreekt van een perceptieverlies bij een afwijking in het binnenoor enlof in de zenuwbanen naar de hersenen. De geluiden klinken dan niet alleen zachter maar ook onduidelijker, zoals bij een bandopname met veel ruis. Selectief luisteren wordt sterk bemoeilijkt door het overheersende achtergrondlawaai. Harde geluiden zijn vaak snel pijnlijk voor de slechthorende. Perceptieverliezen zijn veelal aangeboren of een gevolg van een virusinfectie. Er zijn ook kinderen die alleen hoge of lage tonen slechter dan normaal waarnemen. Slechthorendheid kan zowel enkel- als dubbelzijdig optreden en er bestaan mengvormen van geleidingsverlies en perceptieverlies.

Wat kun je als leerkracht doen?

  • Ben je bewust van de aanwezigheid van het kind.
  • Zorg voor de juiste plaats in de klas:

1 - voor de eenhorige leerling is dit halverwege het lokaal rechts of links, zodat het goede oor naar jou of naar de andere kinderen is gericht;
2 - voor het kind met een dubbelzijdige slechthorendheid is dit op een afstand van 3 a 4 meter schuin in de richting van het raam.

  • Spraakafzien (liplezen) is voor een slechthorende een onontbeerlijk hulpmiddel. Van belang is dat het kind de belichte zijde van het gezicht goed kan zien en niet tegen het licht in hoeft te kijken. Zorg dat de mond goed zichtbaar is. Snorren en baarden bemoeilijken het lipIrzen, alsook overdreven articulatie en het spreken met iets in de mond of voor de mond. Spreek normaal en zorg voor voldoende verlichting. Als je sprekend door de ruimte loopt bestaat de kans dat het slechthorende kind je af en toe niet verstaat.
  • Voor de sociale contacten is het belangrijk dat het kind alles kan volgen wat er in de klas gebeurt. Als iemand achter in de ruimte iets zegt, zal de slechthorende daardoor vaker omkijken. Geef het kind een rustige buurman.
  • Achtergrondlawaai in de ruimte zoals geschuifel van stoelen, door elkaar praten, verkeer buiten en dergelijke maakt het verstaan voor een slechthorende leerling moeilijk en inspannend. Bij twijfels aan het gehoor moet je dit met de opvoeders bespreken en zonodig doorverwijzen naar de jeugdarts.

Naar GGD